Oude! Weblog van Henk Medema

augustus 25, 2013

J.K. Rowling, Casual Vacancy, Dreuzels, Dickens…

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 8:01 pm

Is het écht aan te raden The Casual Vacancy van J.K. Rowling te lezen, of de Nederlandse editie EEN GOEDE RAAD? Dat hangt ervan af. In veel opzichten lijkt het boek niet op de Harry Potter delen, maar in één opzicht wel: je komt alleen waar je wezen wilt als je de auteur voor intelligent houdt, én zelf ook met intellectuele scherpte leest. Niets overslaan. Overal wat achter zoeken, zelfs al is het gezocht: er komt (bijna) altijd iets uit.

Maar de scherpte is wel heel anders. Bij Potter zijn de contrasten sterk. Staat Perkamentus aan de goede kant, of toch aan de verkeerde? En Sneep, die is toch verkeerd? nee, goed! nietwaar, toch verkeerd!

In het kleine dorpje Pagford evenwel is alles dreuzelig, en daarmee wordt (begint de lezer steeds meer te bevroeden) op een kleine locatie heel het Verenigd Koninkrijk gesymboliseerd. Op het kleinst mogelijke niveau wordt een verkiezingsstrijd gehouden, jaloerse en ontzettend onhandige strijd tussen minnaars en minnaressen bevochten, puberdriften uitgevierd, over brandende kwesties (migranten, drugs, echtscheiding, rijkdom, armoede, sociale zorg) gedebatteerd en aan ‘t eind weet je nog steeds niet waar het over gaat; er wordt gevloekt, gelogen en bedrogen, gevreeën en verkracht – sorry voor de omschrijving, maar het is niet anders. Een relatief klein gezelschap hoofdpersonen. een eenvoudig maar steeds ingewikkelder netwerk van levens, lijven en lijnen, beginnend met een begrafenis en eindigend met een dubbele begrafenis. Het is een miniatuur-wereld, nét niet echt Londen maar er niet ver vandaan, nét niet echte mensen maar er verhipt veel op lijkend. Eerst denk je: het is een impliciete sociale kritiek op de Britse maatschappij in al haar lijnen en samenhangen. Maar steeds meer vang je de signalen van psychologische inzichten, die helder en scherper worden naarmate het boek voortschrijdt. Het zijn allemaal een soort Midsummernight Murders: in een maar-al-te-gewone setting vinden de vreselijkste dingen plaats. Het is als in sommige boeken van Dickens – er zit meer in dan het plot, er wordt een landschap geschilderd waarin steeds meer kritiek ingebakken blijkt te zitten.

Dreuzels, Duffelings – maar er mist ook weer wat. Wat mij het meest trof, is het redderloze (meer dan reddeloze!) karakter van het hele landschap dat zich hier aan ons oog voordoet. Er bestaan hier en daar wat verkruimelde stukjes religie, een kale kerk en enige verdroogde spiritualiteit. Er zijn karakters die aan kracht winnen. Maar van niemand is redding te verwachten. Juist daarin wekt deze troosteloze dreuzelige wereld geen hoop, maar wel verlangen naar hoop. Misschien in volgende delen? Je weet het maar nooit bij Rowling.

Advertenties

augustus 20, 2013

Christology, missiology, ecclesiology: which first?

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 9:07 am

During the past weeks and months I have been studying a lot in missional ecclesiology. I felt a deep and growing urgency to understand how our being the Church and our being sent is connected theologically – but more than that: how we can realize this in the functional, local congregations of which we are part. Becaus … well, simply, the connection hardly ever is simple and smooth. It frequently does not work.

Amongst other books, I was reading Alan Hirsch & Tim Catchim, The Permanent Revolution. I worked my way through Mike Breen & Steve Cockram’s book A Culture of Discipelship (which I had to do, having been asked to prepare a slight revision of the Dutch translation). And I took a deep breath of Graham Hill’s book Salt, Light and a City: Introducing Missional Ecclesiology – magnificent and profound!

Now which comes first? It is clear that everything starts with Christ Jesus our Lord, and hence with christology and christopraxy. But from there? Both Mike Breen and Alan Hirsch contend that we should first study missiology, and from there ecclesiology. It is interesting, though, that after having stated this in (Hirsch & Frost) ReJesus: A Wild Messiah for a Missional Church (p.43), the authors continue to follow both lines in a parallel way, the individual aspect and the corporate aspect.

In his foreword to Graham Hill’s book, Michael Frost picks up the same point as he had (together with Alan Hirsch) formulated it in The Shaping of Things to Come – i.e. from christology to missiology to ecclesiology – and then says:

‘Our logic went: if we become students of the Scriptures, allowing our Christology to shape our missiology, then we can worry later about the forms of church that best serve that mission, depending on the context in which it is placed. It has often bemused me that whenever I am conducting a seminar or teaching a class on missional paradigm, the first question I always get relates to ecclesiology. (…) I would declare: let us focus on a trinitarian, Christ-centered missiology and we can worry about our ecclesiology later.

Well, clearly, later is upon us. Stalling the conversation about a missional ecclesiology can’t go on continuously.’

Now this seems, to my mind, to be not only a matter of chronology. Time-wise it is impossible to postpone a part of this discussion while first carrying on another part to a consistent end.

Theologically it is not workable either. In christology we study with our hearts and minds what He is essentially. We call Him by His names and titles: Jesus, the Son, Christ (Messiah, Anointed One), King, Lord, Master, etcetera – but we cannot disconnect this from missiology. For missiology is not only what we need to do, but is what He is doing, the pathway He is following, revealing God in everything, but also taking us along in His mission. It is the missio Dei, the mission of God. Straight from the Fatherheart of God, it is carried out through the Son, in the power of the Spirit. It is taken up by the many sons and daughters, those whom He guides towards ‘glory’ (doxa), that means His self-revelation.

And here is the second important crux: you cannot separate the individuality of these sent ones (as they follow the Master, let’s call them disciples, shall we?) from the corporate perspective in the Body of Christ. Nor can you separate, of course, the Body of Christ from Christ Himself. In fact, without going in detail I would suggest that the Greek ho Christos in Ephesians means of course Christ, but sometimes cannot be distinguished from the Church (e.g. 4:13 &c).

So what’s the suggestion? That on the basis of christology we go directly both to missiology and ecclesiology, and that missiology informs ecclesiology, but also the other way around. And that both are recalibrated by a radical re-Jesus movement.

And why is this so important? Not only from a viewpoint of sheer theology, but also from a practical perspective. Indeed (as many authors, including Mike Breen and Alan Hirsch) have emphasized) you cannot start with a church and then take for granted that you’ll get disciples. But the reverse is true as well. Starting with missiology and trying to skip the questions how this works in the local church – well, this may bring us to some functioning discipelship, but not to a trinitarian, Christ-centered missiology, which IS the church.

 

I am curious to hear your response, and hope it will bring us to some fruitful elements of theology and indeed christopraxy, both in mission and in the Church.

 

augustus 6, 2013

Terrence Malick, Tree Of Life – A Review [Dutch]

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 8:24 pm

Bijna twee jaar geleden voor het eerst gezien, en dan nog eens en weer opnieuw: Tree of Life, een intrigerende film van Terrence Malick. Een volheid en veelheid van beelden, metaforen, symbolen, als in Lord of the Rings (maar lang niet met dezelfde vaart: met traagheid en diepte), zozeer dat ik ook na twee keer de film gezien te hebben nog niet weet waar ik moet beginnen en eindigen. Is deze film ‘een gebed… een wonderlijke naieve film over ons verlangen God om verantwoordling te vragen’, zoals Willem Jan Otten zei in De Groene Amsterdammer http://bit.ly/oThS65 ? Een film die zo traag verloopt dat er steevast een aantal bezoekers de zaal voortijdig verlaat, maar die je hart zo in beweging zet dat je ‘m nóg eens wilt zien. Deze film zindert van verlangen en vragen. De hele wereld, het hele leven, in een nutshell – en God is zoek. Nee, toch niet, niet God is zoek: de inzet aan het begin van de film is de tekst uit Job, waarin God Zich met donderend geweld tot de kleine mens richt: WAAR WAS JE, TOEN IK DE AARDE GRONDVESTTE?

Of is God toch wél zoek? Als je zoon of je broer zo maar meedogenloos uit het leven wordt gerukt? Of een jongetje dat door z’n vader hoog naar de bewolkte hemel verwezen wordt, achter de boomtoppen: daar is God, jongen! Wat zie je van God in een vader die zich niet opent voor zijn vrouw en zijn zonen, die zich ‘meneer’ laat noemen? Wat heb je aan hem in onbegrijpelijke preken en mooi orgelspel? Hoe moet je Hem vinden in de Kaïn-en-Abel-achtige relatie van twee broers? Waar is Hij, in een wereld waar zich telkens weer onverwachte en afschuwelijke dingen voordoen? (‘Kan dat iedereen overkomen?’ vraagt de zoon aan zijn moeder.) Waar is God in een wereld waarin je elkaar niet kunt vertrouwen? Hoe kun je hem terugvinden in je eigen hart, als je voortdurend jezelf tegenkomt: I hate what I do, fluistert de jongen, en wij denken aan Romeinen zeven. De ongenoemde boom in de hele film: de boom van de kennis van goed en kwaad.

En toch ís er iets van God Zelf. Een boom waarin (net als in het grasveld van de tuin) nauwelijks een sprankje leven meer zit, maar waarin je wel kunt klimmen, spelen, léven. Er is genade, zichtbaar gemaakt in de manier waarop de moeder een plek in het leven van haar man en haar jongens heeft. (Dat de hedendaagse wereld letterlijk niet meer weet wat genade is, blijkt uit de vertaling in de ondertiteling: ‘gratie’…) En is er tóch een deur, waardoor je een wereld met een open hemel kunt betreden? Wás die deur er – zoals de terugblikkende filmbeelden suggereren – ook al in het huis waar ze woonden, een deur waar ze gewoon nooit doorheen zijn gestapt? Het kruis van Golgotha is er niet, hoogstens een enkele crucifix. Maar de muziek speelt Agnus Dei qui tollit peccata mundi – het Lam van God dat de zonde der wereld wegneemt.

Een wonderlijke wereld, vragen en vragen oproepend. Kijk. En dan nog eens.

 

augustus 3, 2013

De Sociale Netwerk Kerk (Robin Effing cs) – recensie

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 8:06 pm

Robin Effing (red.) (& Jan Holtslag, Anton ten Klooster, Roderick Vonhögen, Albert Wieringa, Sven Wielstra, Theo Huibers, Jos van Hilligersberg) – De Sociale Netwerk Kerk: de verbindende kracht van Facebook, YouTube, Twitter en LinkedIn. Kok, Utrecht, 2013

 

Gaat dit boek over de kerk, of over sociale netwerken? Of over beiden? Dat lijkt bij eerste lezing nog niet echt de vraag te zijn (maar voor mij wordt ‘m dat wél, wacht maar even…) In nog geen 200 bladzijden leidt Robin Effing en zijn team  de lezers door het jonge, boeiende terrein van de sociale media, en dat gaat enthousiast, met vaart, en met deskundigheid. Wat voor de ene lezer gesneden koek is, zal voor een andere lezer aan het duizelen brengen, maar dat is nu eenmaal inherent aan het thema. Soms is er een wat te simplistische begeestering (‘het mooie van sociale media is dat je daar zowel deelt alsook ontvangt’ (65)), en een enkele keer kunnen de auteurs hun eigen tempo niet bijhouden (als ze bijvoorbeeld zeggen van Skype of Google Hangouts: ‘nu lijkt dat voor veel mensen nog ver van hun bed’ (146)). Maar er worden ook zeer instructieve voorbeelden gegeven, o.a. over de profielpastor sociale media (60), en in het boeiende interview met Roderick Vonhögen (64v), en bij de voorbeelden van communities doe worden gegeven: I-Church, Chuch of Fools, Second Life. St.Pixels (103). Ik trof geen melding aan van mijnkerk.nl of van ekerk.org – dat kan bewust zijn gedaan omdat zij niet als volwaardig functionerende commmunities worden beschouwd, maar misschien waren ze ook te weinig bekend. Interessant – maar naar mijn gevoel nog lang niet compleet – is de effectmeting met het SMCP-model (Sociale Media Participatie) (131).

Hoe dan ook: dit is een boeiende rondleiding door een terrein dat op nieuwelingen zowel als kenners zal indruk zal maken.

 

Kritiek

Het is echt niet alles goud wat er blinkt, en het enthousiasme van het boek is dan ook hier en daar wat overdone. De auteurs signaleren zelf ook hier en daar een gevaar, bijvoorbeeld de ‘euforisering’ van het eigen bestaan (54). Er zou meer aspecten te noemen zijn, zoals het solutionisme dat Evgeny Morozov noemt (in: The Net Delusion, en ook in: To Save Everything, Click Here). Volgens James K.A. Smith is de interface-contactualiteit eigenlijk een non-contactualiteit (in: Imagining the Kingdom). Het verkapte economisme achter het freemium-verdienmodel en The Long Tail wordt, als ik het goed gezien heb, helemaal niet besproken. En je moet natuurlijk niet denken dat mensen die off-line geen respect voor anderen hebben, dat on-line ineens wél zullen tonen.

Maar de andere kant daarvan is dat zulke negatieve aspecten de positieve mogelijkheden niet hoeven uit te blussen. ‘Doof de Geest niet uit!’ Ik herken me goed in de hoopvolle kijk die Effing c.s. hebben op deze postmoderne communicatie-mogelijkheden, waarbij het einde nog lang niet in zicht is.

 

Kernvraag

De kern lijkt me in dit boek nog maar nauwelijks te zijn aangesproken: hoe is de relatie tussen digitale netwerken en kerk? Dat is een thematiek van ecclesiologie (leer van de Kerk) en missiologie (leer van de zending). Soms hoor ik in dit boek dualistische noties, als het er bijvoorbeeld om gaat ‘mensen van deze netwerkgeneratie te binden aan de concrete, sacramentele kerk’ (50). Dan weer ‘voelt het alsof je deel uitmaakt van een wereldwijde parochie. Of misschien moet ik wel zeggen: een wereldwijde familie’ (65). Heel even wordt de noodzaak van ecclesiologie, althans het begin ervan, aangeduid (96v), en een definitie gegeven: ‘De kerk is een door God geroepen gemeenschap van God en mensen die in en voor de wereld getuigt van liefde, hoop en redding in navolging van Jezus Christus’ (97). In de slothoofdstukken vond ik Effing weer een heel stuk aarzelender, en spreekt hij (net als in zijn TED-lezing http://bit.ly/15D6GXo) in tamelijk algemene termen over een Sociaal Koninkrijk (168). Is daarmee de bijbelse notie van Koninkrijk Gods bedoeld? Moet je eigenlijk een community, bestaande uit sociale media, wel náást de Kerk plaatsen, en er vervolgens met dunne of met wat steviger lijntjes ermee verbinden? Kunnen we de Kerk – in real life óf virtueel – niet beter als organisch beschouwen, en de verbindingslijnen wezenlijk zien als lijnen van de Geest van God? Het ‘veni, Creator, Spiritus’ aan het slot van dit boek zou krachtiger kunnen klinken. Dan zou het promotie-onderzoek van Effing (waarvan dit boek een tussenfase is) misschien best bouwstenen kunnen aandragen voor een echte virtuele ‘kerk’-community.

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.