Oude! Weblog van Henk Medema

juli 27, 2012

‘Je tante Truus d’r kerk’

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 4:31 pm

Ergens onderweg in Amerika zag Andrew Byers een billboard: reclame voor een blijkbaar flitsende evangelische kerk. In het Nederlands kwam de tekst neer op ‘Niet je tante Truus d’r kerk’. Hij vertelt hoe dat een dubbel gevoel gaf. Aan de ene kant ben je blij dat een kerk buitengewoon is, of wil zijn. Aan de andere kant was hij juist ook voorganger geweest van een kerk waar ‘ome Gerrit en tante Truus’ zich opperbest thuis voelden, en hij had zijn best gedaan om dat thuis-gevoel te stimuleren.

Wat zou je nu eigenlijk echt willen? Een stampvolle kerk op basis van de hottest hypes, waar mensen met z’n allen uit hun dak gaan? Of een doodgewone kerk voor doodgewone mensen? Is dat hunkeren naar de hoogste hype wel hetzelfde als de meest uitnemende weg waarover Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 13? Of kan het juist wel heel goed samen gaan?

Byers schreef er een boek over, FAITH WITHOUT ILLUSIONS, dat in Nederlandse vertaling in november gaat verschijnen onder de titel GELOVEN ZONDER SCHONE SCHIJN: HOOPVOL REALISTISCH. In het blad CV-Koers is al uitgebreid aandacht geschonken aan dit boek. Het is niet alleen maar een verhandeling over de pro’s en con’s van kerken en culturen, maar (en alleen al daarom moet je dit lezen) de auteur vertelt zijn eigen levensverhaal, de zoektocht naar de Geest, en die liep anders af dan hij droomde: hij werd wakker. Het gaat niet alleen maar over verschillende kerktypes, maar ook over het thuis-gevoel dat je bij een geloofscultuur hebt. Otto de Bruijne wijdde een jaar of wat geleden een speciale studie aan het fenomeen dat sommige mensen alle evangelische hoeken en gaten bezoeken, om dan toch van een koude kermis thuis te komen (de titel was ‘Ooit Evangelisch’).

Byers beschrijft hoe wij als evangelische christenen zijn verslingerd aan vijf ingrediënten. Ten eerste idealisme: we willen graag leven in veiligheid en serene rust, zonder lijden, pijn, vernedering, verwerping en andere narigheden. We zijn ten tweede verslaafd aan religiositeit, een constante inspanning om telkens weer nieuwe godsgebeurtenissen mee te maken. Ten derde willen we leven op basis van ervaring – en daar lijkt niks mis mee, maar veel te gauw kenne we aan menselijke belevenissen een plaats toe boven Gods werkelijkheid (en soms blijkt zo’n ervaring niet eens te lukken…). Een vierde punt is onze evangelische verslaving aan anti-intellectualisme – om het in gewone woorden te zeggen: je hersens op het nachtkastje en in slaap te vallen. En ten vijfde: wij zijn er blijkbaar trots op dat we als kerk cultureel irrelevant zijn. ‘tante Truus d’r kerk’.

Daartegenover zet Andrew Byers drie Christus-profielen die het beeld van het Oude Testamet kleur geven, en in het Nieuwe Testament vervuld ziijn in Christus. Het eerste is het profiel van een profeet – de man of vrouw die met profetisch verdriet de Kerk en de wereld betreedt, en probeert daar Gods werkelijkheid te laten zien. Als een wijze (een tweede profiel) dragen wij zonder arrogantie steeds weer nieuwe fragmenten van bijbelse wijsheid aan. En ons derde profiel is dat van een treurdichter, zoals de makers van de Psalmen vertrouwd waren met klaagzangen, maar zich daardoor in aanbidding lieten meevoeren tot in Gods nabijheid, in plaats van met cynische klachten afstand van Hem te nemen.

Al deze drie profielen worden in het Nieuwe Testament samengevat in Christus. De houding waarmee Hij ons, mensen, tegemoet treedt, is er één van opofferende omhelzing in plaats van cynische verwerping. Als wij Hem een centrale plaats geven in onze geloofsbeleving, ontstaat er een nieuwe houding die in de ondertitel van de Nederlandse editie wordt omschreven als ‘hoopvol realistisch’.

Ik vat in het bovenstaande Byers’ boek samen, omdat ik denk dat deze inhoud mensen nieuwsgierig zal maken. Is dat zo? Twee vragen aan het slot…

(1) Komt dit cultuurbeeld van het evangelische christendom je herkenbaar voor?

(2) Lijkt de oplossingsrichting die Byers aangeef ook inderdaad hout te snijden?

En dan een laatste vraag – maar die hoef je niet te beantwoorden – zou je dit boek voor jezelf willen lezen?

Advertenties

juli 14, 2012

Intouchables

Filed under: Uncategorized — Tags: , — henkmedema @ 6:27 pm

Een feel-good movie die tegelijk diep ernstig is. Een film die je uitbundig laat lachen maar tegelijk diep ontroert. Zeldzaam verschijnsel! Intouchables (Nakache & Toledano) is dat – met Omar Sy en Francois Cuzet in de hoofdrollen. In deze korte blog hoef ik geen samenvatting te geven van het plot, daarvoor kun je overal terecht. Maar de kern is dat de beide hoofdpersonen allebei onaanraakbaren zijn: de één als immigrant uit Senegal en bewoner van de woonkazernes in de Parijse voorsteden, jong en atletisch, vol seksistische grapjes maar zonder hoop ooit werk te kunnen vinden; de ander als steenrijke zakenman, verlamd, intelligent, maar zonder vooruitzicht op genezing.

Wat ze vinden in het contact met elkaar is iets wat ze geen van beiden zoeken: de aanraking. De film laat dat indringend zien in de intensieve lichamelijke aanraking die bij de zorg van de jonge man voor de oudere, verlamde rijkaard nodig is. Maar ook de ontdekking van het innerlijk van de ander, en dan ook van mensen in hun verdere omgeving. Cultuur, muziek, schoonheid, menselijkheid, zorg – alles was buiten beeld, maar terwijl de mannen dichter bij elkaar komen, komt het nu in zicht. In het koude, eenzame Parijs met z’n onbereikbare elites en onaanraakbare migrantenpopulatie.

Is er in de karakters van deze film iets te vinden van God, of van Jezus. Nee, niet bij Naam en toenaam. Maar eigenlijk toch wel: in de aanraking zelf. Een man die zich ten hoogste kon voorstellen een brief te schrijven aan een verre, onzichtbare vrouw, komt tot een ontmoeting met een concreet, warmbloedig mens. Een jonge vent die eerst terugschrikt van zelfs de basale lichamelijke aanraking met een patiënt, vindt zelfs de weg naar z’n hart.

Is zoiets mogelijk? Ja. En dan móet je wel aan onze Heer denken. Jezus raakte melaatsen en verlamden aan. Hij raakte de oren van doven aan en de ogen van blinden, en dan vond heling plaats, en worden mensen écht mensen.

juli 12, 2012

Moet de hele wereld Kerk worden? Of moet de Kerk Christus IN de wereld representeren?

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 9:25 am
Je hebt boeken, en boeken, en ook BOEKEN (met hoofdletters). Bij de laatste categorie reken ik ‘Lichaam en Geest van Christus’, het nieuwste volume van prof. dr. Bram van de Beek. Volumineus is het zeker, bijna zeshonderd bladzijden. Prachtig is het ook, niet alleen qua uitvoering maar ook daarin dat de scherpzinnigheid en erudite van de schrijver het tot een genot maakt om het te lezen. Dan moet je daarbij ook nog bedenken dat het boek niet ‘los’ te lezen is, maar als een onderdeel van zijn project ‘Spreken over God’, waarin tot dusver zijn verschenen Jezus Kurios, De Kring om de Messias, God doet recht, en dan het meest recent ‘Lichaam en Geest van Christus.’
Een blog is niet een gedetailleeerde recensie, dat is althans hier niet mijn bedoeling. Wat mij al een aantal jaren fascineert is de visie die Van de Beek naar buiten brengt ten aanzien van de presentie van de Kerk in de wereld. Misschien is het een bepaald cultuurpessimisme dat me boeit en toch weer teleurstelt. Of een vaak briljante verwoording van een piëtisme dat nu eens in goed doordachte denklijnen wordt geformuleerd. Maar vooral intrigeert me de vraag waar de wortels van zijn theologie zitten – met name ook als je zijn denken probeert te vergelijken met zijn Britse generatiegenoot N.T. Wright.
Zo diep wil ik ooit nog wel gaan, denk ik bij het lezen van dit boek, maar aan de doorgronding ben ik nog niet toe. Er staan ook allerlei gedeelten in waarbij ik een bijna (!) onbedwingbare jeuk krijg: waar het over het ambt gaat, bijvoorbeeld (198vv, vaak was ik het daarmee zeer oneens!), of over Het Symbool (338vv, daarmee had ik juist veel instemming), de uitdrukking die Van de Beek gebruikt voor de volle breedte van het Credo. Nu even over de kern, en als ik het goed zie, zit die hier.
De Kerk is het Lichaam van Christus, en de woonplaats van God in de Geest.
Wat het Lichaam van Christus betreft, dat ziet Van de Beek zó: ‘Jezus Christus en zijn macht, […] het bestaan onder het kruis, dat de gestalte van zijn konngschap in deze wereld is en […] zijn macht die alle machten te boven gaat’(129). En de kerk zoals die hier nu op aarde is, verschijnt aan de wereld als de Man van Golgotha, in Wie alleen de overwinning ligt: ‘Alleen is de kerk op aarde de heerschappij van God in de gestalte van het kruis. Alles moet dus kerk worden’ (141). ‘De Gekruisigde heerst vanaf het hout […] Heel de wereld moet kerk worden’ (143). En ‘de kerk is de zichtbare gestalte van het Koninkrijk in de wereld’ (144).

Wat de Geest van God betreft: Hij is de in de Kerk inwonende God. En dat is, beklemtoont Van de Beek, een heel verschil met de incarnatie, de vleeswording van God in Jezus. Bij de Geest gaat het om ‘inhabitatie’ (410). Wat is het verschil? ‘Bij de inwoning blijft de persoon van de mens als schepsel onverlet. De Geest woont bij de mens in. Hij is een ander dan ik ben’ (411). Daarom is de Kerk nooit ten volle een overwinnende Kerk, maar steeds gebroken en brekend. ‘‘De Volmaakte woont bij de onvolmaakten (…) De Geest neemt ons leven en keert het om. Mensen zijn echter koppig en draaien voortdurende weer terug’ (412). ‘De incarnatie is eenmalig, de inhabitatie is veelvoudig’ (417). De onmogelijkheid dat christenen, verenigd in het Lichaam van Christus en ingewoond door de Geest, ooit enige vorm van overwinning in deze wereld kunnen neerzetten, wordt ondersteund door Romeinen 7, de beroemde komma van Kohlbrugge (464). Wij moeten dus, zegt Van de Beek (volgende de woorden van Willem Maarten Dekker) ‘serieus […] nemen dat de kerk geen plaats meer heeft in het publieke domein’ (490).
Dat is nogal wat. Het betekent dat het Lichaam van Christus Hem niet in de wereld kan representeren, en dat de Geest van Christus Hem niet in ons vermag te laten zien, geen leesbare brieven van Hem kan schrijven, zoals 2 Korinthiërs 3 het zegt. Wat bijna neer komt op een défaitisme voor de Kerk: hou er maar mee op, het wordt toch niets! In de inmiddels befaamd geworden woorden van Wim Dekker: laten we de Kerk maar begraven, zij moet niet de pretentie voeren van missionair te zijn, laat ze maar in alle ootmoed in de marge van deze wereld blijven.
Ik weet dat Van de Beek hierover uitvoeriger, diepgaander (en ook wel wat genuanceerder) heeft geschreven in ‘Religion without ulterior motive’ (in E.A.J.G. Van der Borght, SRT 13), Leiden 2006), ik heb het gelezen. Maar deze kruistheologie is dermate radicaal, dat ik er bijna niet meer de kracht van Christus’ opstanding bij kan terugvinden, noch de levenswerking van de Heilige Geest. Of vergis ik me nu?

juli 3, 2012

Gods verhaal, ons journaal

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 1:34 pm
De Franse schrijver Laurent Binet (1972) heeft een intrigerend boek geschreven, onder de titel HhhH, waarvoor hij in 2010 de Prix Goncourt heeft gekregen. De ondertitel geeft gelukkig de betekenis aan: ‘Himmlers hersens heten Heydrich’. Het is een reconstructie, met vóór- en nageschiedenis, van de aanslag op Reinhard Heydrich in mei 1942, de ‘beul van Praag’, en de rechterhand van Himmler, samen met Adolf Eichmann de bedenker van de Holocaust. Een historiografie, een geschiedschrijving is het niet, hoe nauwkeurig ook: geen verzameling van feiten. Een historische roman is het evenmin, een smeuïg verhaal op basis van (ongeveer) de bekende feiten. Het is zelfs niet iets daar midden tussenin: het is een verhaal over de ontdekking van het verhaal. Binet beschrijft razend knap en vol spanning hoe het relaas over Heydrich zich onder zijn speurdershanden ontvouwt – maar natuurlijk is dat relaas zélf ook zinderend van spanning, hoezeer de afloop ook bekend is.
Dit is niet een verhandeling over proposities: ‘dit feitencomplex is A, en dus kan het niet tegelijk niet-A zijn’, misschien wel B, maar dat moeten we nog onderzoeken. Het is een gebeuren, dat de lezer meesleept omdat hij vanaf het begin ook het einde wil meemaken. Er zijn genoeg propositionele verhandelingen bekend over de Holocaust, tot en met de (vooral recente) beweringen dat al die wreedheden nooit gebeurd zouden zijn. Binet geeft zijn lezers de kans niet om zelfs maar aan zo’n discussie te beginnen. Meedogenloos neemt hij ze mee temidden van zijn afschuwelijke ontdekkingen, die deels compleet maar ook deels onvolledig zijn, zoals hij dan eerlijk toegeeft.
Om het te vergelijken met Genesis 1 vers 1, het begin van de Bijbel: God is de schepper van hemel en aarde. Maar dat staat daar niet als een stelling. Dan zou het na dat eerste gedeelte kunnen ophouden, en zouden wij onmiddelijk in discussie kunnen treden: ‘nee, die propositie is niet waar! ten eerste bestaat er geen god, en áls hij al bestaat, is Hij echt niet de oorsprong van al he bestaande.’
Maar dit is de eerste zin van een verhaal. Niet zomaar een verhaal, maar van HET verhaal, HET VERHAAL van God. En totdat je in Openbaring 22 bent aangekomen, is het niet ten einde, en kun je er niet mee ophouden. Langs allemaal deelverhalen, van profeten, koningen, vissers, boeren, zelfs een moerbeivijgenkweker en een arts – via één bijzondere persoon, om WIe het allemaal blijkt te draaien, Jezus.

De eerste mensen zijn geschapen, en het gaat verder: je ziet hoe ze – na die verschrikkelijke zondeval, weliswaar – zich vermenigvuldigen. Wat er dag voor dag  met deze mensen gebeurt, wordt niet door ieder van hen opgeschreven. Maar als dat wél zou gebeuren, zou je in Het Journaal een bonte verzameling van duizenden, miljoenen, miljarden kruispunten aantreffen. Ons journaal raakt elke dag Gods verhaal. Wij reageren daarop, wel of niet, met ja of nee.

Het wordt echt interessant als Het Verhaal open gaat, en Het Journaal ook geopend wordt. Het Verhaal: dat is het relaas van het Woord. Het Journaal: dat is het relaas van de Geest. Woord en Geest bij elkaar, dan gebeurt er wat.
Het Verhaal blijft  – in de eenentwintigste eeuw, in de Lage Landen, over een andere tijd en plaats doe ik nu geen uitspraken – vaak gesloten. Dagelijkse actieve betrokkenheid op de Bijbel is geen verschijnsel waar je zelfs bij meelevende kerkleden op kunt rekenen; zelfs op zondag lezen veel kerkgangers gemakshalve de preektekst maar gewoon mee als de beamer ‘m op de muur vertoont.
Het Journaal blijft – weer hier dicht in onze eigen omgeving – eveneens vaak dicht. Niet dat er niks gebeurt. Maar we hébben het er nauwelijks met elkaar over, welke ontmoetingen met de sprekende en levende God zich in ons leven voordoen. Een beetje verlegenheid, misschien? Of is het wat anders? Houden wij veelal ons Journaal voor elkaar gesloten omdat wij ook Gods verhaal dicht houden?
Wij moesten het er maar eens met elkaar over hebben.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.