Oude! Weblog van Henk Medema

december 29, 2010

Your Own New Year’s Speech: Everything Must Change

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 10:15 am

Christmas is past. We’ve left the manger behind us. We marvelled at Immanuel, like the shepherds. We kissed Jesus, like Mary and Joseph, and worshipped Him, as the Wise Men did. Now that’s passed, and we hurry into the New Year: busy times ahead. The Baby of Bethlehem is, at least for the next 30 years or so, not going to do anything anyway. No worry.

As we enter into 2011, this is a moment to realise that He is the King of Kings.

Everything Must Change is the title of Brian McLaren’s book (2007) about Jesus, global crises and a revolution of hope. The title is derived from what a woman said while McLaren was ministering in Rwanda, and it dawned to her how radical Jesus’ kingdom claims were: ‘If this is true (she said), than everything must change’.

Is this not a bit too far-fetched? Too radical? For me, personally, one of the major events this year was the Third Lausanne Congress of World Evangelism in Cape Town, in October. The whole church, taking the whole gospel, to the whole world. Too radical, too big a taks even to dream of? Actually, it boils down to the same thing: everything must change.

Most of us are not in a position to present their own New Year’s Speech. Or they would not have an audience beyond their own small family circle – and this group might not always be all that  eager to listen… But why don’t you write down, just for yourself, what you see before you for the next 365 days in 2011?

Anything less than everything must change does not concur with the gospel of Jesus’ Kingdom.

And even if you don’t plan for it: everything will change.

 

Our Lord is not the Unmoved Mover, as Aristotle pictured God. He is the Most Moved Mover, to borrow the title from Clark Pinnocks book. He is compassionate, involved, working hard on His creation, not just ‘running the shop’. It is change that He is bringing about.

Can we change our national and international political situation?

Can we bring movement in our sometimes motionless churches?

Can we make an end to human suffering, wars, corruption, abuse, rape, theft, crime?

Can we stop the ongoing climate deterioriation?

 

We cannot.

But we are disciples of a King who can and who will. And He is not postponing His program unto a millennium in a far future. He says (in Revelation 21:5) that He is in the business of making all things new. Which does not only mean that He will turn around everything in the universe in a future day. Everything He does is a rejuvenation process, which will end in the renewal of all things. The devil still works counter to that, and wants to make everything old, rigid, dull. What God does, will do and does now, is making everything new.

So He can! And He will. And we will be available for Him, as His co-workers.

Let’s not ‘write our new year’s speeches’ in the hope that everything (or nearly everything) will remain the same, and leave us unchallenged or untouched. Let’s speak boldy to our own souls, and eagerly look for the changes He will bring about. Some of these will hurts us, cost us something – or even more than something. Some of these changes might even could even touch our very life. But everything will change, and everything will work together for the good of those who love Him. He will change the face of the earth, according to His promise in Psalm 104:30. And he starts, in small bits and pieces, by us being changed and being the change itself.

 

december 24, 2010

[KERSTVERHAAL] Jeroen, het Berritje

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 2:06 pm

Echt winter was het niet, maar wat boeide zoiets – dat het een warme dag was, kon Jeroen niets schelen. Er waren wel vaker warme dagen. Koude dagen ook. Lauwe dagen had je ook, en waarschijnlijk nog het meeste. Maar nu was hij warm. Vandaag was hij heel dichtbij iets waar hij nooit naar had gezocht.

Jeroen was alleen, maar dat was ook niet zoveel bijzonders, want dat was hij op een of andere manier altijd. Niet dat hij alleen was, integendeel: er waren nog miljoenen andere Berritjes, net zoals hij, toch weer heel anders en niettemin hetzelfde. Maar Jeroen had niet zoveel aan zijn mede-Berritjes, en om het maar eerlijk te zeggen hadden zijn mede-Berritjes ook niet zoveel aan hem. Ze hadden trouwens ook niet zoveel met elkaar op – al waren er sommigen die het daar wel eens over hadden, en ietwat knorrig beweerden dat alle Berritjes in een soort Verbond waren opgenomen. Maar ja, er wordt zo vaak iets beweerd.

Berritjes woonden, heel wonderlijk, met miljoenen en nog eens miljoenen tegelijk op een heel klein knikkertje. U en ik hebben er maar moeite mee, zoiets te begrijpen, maar voor Berritjes was het heel normaal. Ze dachten er zelden over na, en als ze er toch heel eventjes over nadachten, hielden ze daar gauw weer mee op, want ze wilden niet duizelig worden. Het knikkertje was trouwens, al was het heel klein, groot genoeg, want de Berritjes waren nog verschrikkelijk veel kleiner. Daar merkten ze evenwel bijna nooit iets van, en ze wilden dat ook liever niet.

Het was, zoals gezegd, een warme dag, en voor zijn huis stond Jeroen. Het was een heel gewoon huis waar hij woonde, met een tuintje en een keukentje; kortom: een huis-, tuin- en keukenhuis, met een huis-, tuin- en keukenkeuken en een huis-, tuin- en keukentuin. Een huis zoals er twaalf in een dozijn gingen, en alle twaalf in deze straat stonden keurig op een rijtje. Maar in dit huis bevond zich een Verschrikkelijk Geheim. Jeroen hoopte maar dat hij de enige was die ervan wist, maar hij was daar niet zo zeker van. Soms vermoedde hij dat de andere elf huizen in zijn straat net zo’n Verschrikkelijk Geheim hadden, maar hij durfde er niet naar te vragen. Het Verschrikkelijk Geheim was vele jaren geleden in zijn huis gekomen, en er nooit meer uit weg gegaan. Jeroen herinnerde zich de avond nog goed: donker, koud, regenachtig en waaierig. Er werd geklopt, en Jeroen was open gaan doen. Had hij dat maar niet gedaan! Want het slangachtige wezen dat voor de deur stond, was zeker geen Berritje, al kon hij wel degelijk praten. Voordat Jeroen het wist was het Verschrikkelijk Geheim (zoals hij het in gedachten noemde) naar binnen gegaan, en had zich prinsheerlijk genesteld op de grote leunstoel bij de haard. En hoe Jeroen ook praatte, en wat hij ook deed, of hoe hij zelfs had gevochten, het Verschrikkelijk Geheim was gebleven. Op een of andere manier waren er sindsdien zelfs barsten in de muren ontstaan, en scheuren in het houtwerk. Het kon zo niet lang meer doorgaan of het kleine huisje zou helemaal instorten. Jeroen durfde er niet over te praten, niet met zijn buren, niet met andere Berritjes, met helemaal niemand — maar de angst kneep hem de keel dikwijls dicht.

 

Er was vandaag iets gekomen. Iemand gekomen. Het was echt een wat vreemde dag vandaag, en dat was al begonnen toen hij, met nog wat andere Berritjes, buiten op het veld werkte. Het was nog stikkedonker, maar midden in de nacht ging de lucht in de hemel open, en het licht in de hemel aan. Ja, dat klinkt gek, maar zo wás het toch, anders kun je het niet zeggen. En wonderlijke, machtige hemelwezens kwamen het bericht brengen van een héél klein wezentje dat daar was gekomen, ook al in het donkere veld. Je moest er heen gaan, zeiden ze. Je mocht naar binnen gaan, vertelden ze. En je zou iets machtigs zien – maar tegelijk iets heel kleins. Wat, klein? Maar Berritjes waren al zo klein! En dit iets (of was het een iemand?) zou dan nog veel kleiner zijn? En dat allemaal op dat kleine knikkertje? Dit was een vreemde dag, zoveel was wel zeker.

Het was niet Iets. Hij was Iemand. Ontzettend klein. Kleiner dan het kleinste Berritje, dacht Jeroen, toen hij een ogenblik later, samen met nóg een paar Berritjes, de deur was binnengegaan.

Nu stond Jeroen, nog peinzend, weer in het donker, en ging van zijn ene been op het andere staan, ten prooi aan twijfel over de vraag of hij naar binnen of naar buiten zou gaan. Hij bedacht dat hij al buiten wás, zodat het heel moeilijk zou wezen naar buiten te gaan, en was bijna tot het besluit  En om naar binnen te gaan, toen hij inzag dat dat de weg van de minste weerstand was. Zo bleef hij een lange, lange tijd staan dralen. U zult, lezer, dit misschien een ingewikkeld gedoe vinden, en dat was het ook wel een beetje, maar dan moet u daar wel bij bedenken dat Jeroen (dat had hij pas echt gemerkt na de komst van het Verschrikkelijk Geheim) enigszins mislukt was. Dat zeg ik niet goed: hij was niet mislukt, maar gewoon Mis. Alle Berritjes hadden dat. Zo was het niet altijd geweest, maar de lang vervlogen tijden van de eerste, zeer goede Berritjes, waren in het Vergeetboek geraakt.

Hebt u het Vergeetboek wel eens gelezen? Nee, dat zal wel niet, want het is veel te klein, het is een boek voor Berritjes, en zelfs met de sterkste microscoop zouden wij het niet kunnen lezen. De Berritjes konden het wel lezen, maar de meesten deden dat niet. Jeroen deed het wel. Het Vergeetboek lag in zijn huis, midden in de hal, naast de trap, vlak onder de lamp. Hij had er niet altijd in gelezen, al kon hij zich geen tijden herinneren dat het Vergeetboek er niet was geweest. Jeroens ouders — waren zij ook Mis geweest? in ieder geval leefden ze al lang niet meer! — hadden het boek weer van hún ouders gekregen, en die weer van hún ouders, enzovoorts.

Het was juist de gedachte aan het Vergeetboek die Jeroen liet dralen in de warme zonneschijn. Binnen in zijn huisje lag het. Maar de lamp in de hal, die de oude letters leesbaar moest maken, was heel zwak geworden doordat het Verschrikkelijk Geheim er dikwijls in hing om te slapen, en Jeroen wist nergens in zijn huis een plek waar hij meer licht zou kunnen maken. Zou hij het wagen, het Vergeetboek naar buiten te brengen in de felle zonneschijn? Zou het Boek daar tegen kunnen? Hij had er intussen al heel wat in gelezen, eerst stukje bij beetje, toen wat vaker, toen regelmatig, en tenslotte bijna iedere dag. De oude geschiedenissen waren ontzettend boeiend, maar toch was er iets wat hij niet begreep, en hij wist niet wat dat was.  Nu scheen de zon, fel en uitbundig, heel anders dan in de lauwe dagen van de laatste tijd. Nu moest het dan maar gebeuren, besloot Jeroen, en hij opende de krakende deur van zijn huisje, liep zachtjes naar binnen, en tilde bijna kreunend van inspanning het zware Vergeetboek op. Hij wankelde de deur uit en legde het met moeite het Boek op de grote steen midden op het grasveld.

Voorzichtig streelden zijn vingers de leren band en de gouden sloten, alvorens hij aarzelend het boek opende, tastend naar de bladzijde waar hij verder wilde lezen. Maar toen het Vergeetboek open viel, schrok hij geweldig, want dit had hij nog nooit gezien! Een spiegel, waarin hij in een flits van een seconde zichzelf zag, maar zijn beeld verdween op hetzelfde ogenblik weer, omdat de felle zon precies boven het Vergeetboek scheen, en de weerkaatsing van het zonlicht in de spiegel zijn ogen compleet verblindde. Of het van de schrik kwam, dat hij een onvoorzichtige stap naar voren deed, wist Jeroen nadien niet meer te vertellen, maar in ieder geval deed hij het, en hij had het gevoel dat hij diep naar beneden viel, in het Boek. Het volgende ogenblik was een merkwaardige gewaarwording. Hij keek nu niet meer óp een bladzijde met allemaal letters, maar bevond zich er tussen in, terwijl de woorden allemaal hoog naast hem oprezen. Hoe vreemd het ook was, het kwam Jeroen allemaal op een of andere manier wonderlijk vertrouwd en bekend voor. En kijk nu, heel merkwaardig: de woordenmuren waartussen hij zich bevond, waren de wanden van zijn eigen kamers in zijn eigen huis! En nog wonderlijker: tegelijk waren het spiegels, waarin hij overal zichzelf tegenkwam. De zon scheen nog steeds, met een helderheid als nooit tevoren, en als Jeroen naar boven keek, moest hij een hand voor de ogen doen, want boven de randen van de woorden van het Vergeetboek straalde de felle lichtbundel van zonnestralen ongetemperd. De woorden van het Boek waren wanden, en de wanden waren spiegels, en de spiegels toonden hem zichzelf en zijn eigen huis. Droomde hij, of was hij wakker? Hoe klein was hij, temidden van die indrukwekkende woordengalerijen! Wat was er eigenlijk met hem gebeurd?

Berritjes zijn klein, maar ze zijn niet bang, en Jeroen was ook klein, en hij was geschrokken, maar niet bang. Daar was bovendien ook, vond hijzelf, des te minder aanleiding toe omdat hij zich op een of andere manier toch in zijn eigen huis bleek te bevinden. Hij wandelde door de gang — waar het Vergeetboek, vreemd genoeg, nog steeds onder de lamp lag, gesloten —, de keuken in, de kamer door, de trap op, naar zijn slaapkamertje op de zolderverdieping, weer de trap af, de benedenverdieping door. Overal scheen het felle zonlicht, en Jeroen bedacht juist een beetje wrevelig dat hij zich de moeite had kunnen besparen om het zware Vergeetboek naar buiten te sjouwen, toen hij zich realiseerde dat zijn avontuur juist op die manier begonnen was. Het zonlicht deed niet alleen pijn aan zijn ogen, maar irriteerde hem ook op een andere manier, want overal zag hij dingen die hij nog nooit eerder had gezien: spinnewebben, moddervlekken, vuil, barsten en scheuren in de muren, spatten op de ramen. Tenslotte werd hij moe van het rondwandelen in zijn eigen huisje, en ging zitten op de oude houten keukenstoel, die altijd al wel een beetje wankel was geweest maar die nu in al zijn voegen leek te kraken. Nooit had Jeroen nagedacht over het feit dat hij, met nog miljoenen andere Berritjes, op een heel klein knikkertje woonde. Op dit moment dacht hij er eigenlijk nog niet over na, maar hij voelde over dat feit wel precies het soort verwonderde duizeligheid, die de Berritjes hardnekkig probeerden te vermijden.

Ineens dacht hij, met een plotseling opkomende ongewone helderheid, aan het Verschrikkelijk Geheim. Waar was het groenachtige slangenwezen gebleven? Hij liep spiedend de hal in, de kamer weer door, de keuken opnieuw betredend, weer omhoog de zolder op. Wie schetste zijn verbazing? Niemand. Het huisje was leeg, helemaal leeg. Hij keek naar de barsten in de muren en de scheuren in het houtwerk: die zaten er nog. Maar nergens meer een Verschrikkelijk Geheim. Of toch? Wat lag daar in het stof onder de trap? Jeroen keek nog eens goed. Nee, dat moest iets anders zijn, maar wat dan? Opnieuw speurden zijn ogen, en ze werden tegelijk onnatuurlijk groot: hij zag een groen-grijsachtig wezen, met een vertrapte kop, leek het wel. Hij keek wat nauwkeuriger. Het houten kruis dat in het trapgat aan de muur hing, was er bovenop gevallen, en had (hoewel het toch helemaal niet groot of zwaar was) de kop vermorzeld van het Verschrikkelijk Geheim.

Jeroen keek omhoog. Even had hij vergeten hoe fel de zonnestralen waren boven de woordenranden van het Vergeetboek uit. Maar hij besefte het onmiddelijk weer, toen hij de hand voor de ogen moest slaan en een stem hoorde. Jeroen, Jeroen! Zijn eigen naam, Jeroen! Hij greep de trapleuning om niet te vallen. Zijn hart bonsde in de keel, van schrik én opwinding, en hij fluisterde: Wie bent U? Maar op hetzelfde moment wist hij ook het antwoord op die vraag.

 

 

 

december 22, 2010

Gordon en het christelijke loket

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 10:10 am

Gordon zoekt God, en God zoekt Gordon. Wij, kijkerspubliek van de EO, nu bij hoge uitzondering de kijkcijfers van Nederland 3 omhoog krikkend, zitten op het puntje van onze stoel. Vanavond verder!

Tussendoor wat peinzend over het christelijke geloof, zoals het in deze serie wordt gepresenteerd, denk ik: hé, ik mis wat. Nog eens overweeg ik: mijn observatie wordt bevestigd, en ik wordt er eerlijk gezegd blij van.

Wat ik mis is een christelijk loket.

In de jaren zestig woonde onze familie in Apeldoorn tegenover een piepklein dierentuintje. Als kind was ik gefascineerd door de enorme autoriteit die daar werd uitgeoefend door één (in mijn herinnering tamelijk oude) dame, die dit gezag aan een positie ontleende: het Loket. Een enkele keer staken wij de straat over en bezochten de dierentuin, waarvoor wij ons bij het Loket moesten vervoegen. Het kostte, geloof ik, een dubbeltje, en dan kreeg je een kaartje, en daarmee de volmacht om naar binnen te treden. (Eenmaal heeft, echt waar, een heuse beer, ontsnapt uit zijn kooi, de omgekeerde route genomen, zonder een dubbeltje te betalen – maar hij werd prompt door een gealarmeerde politieman doodgeschoten.)

Weten we nog wat er vroeger standaard in iedere bus te lezen viel? ‘Niet spreken met de bestuurder. Voor de streep geen staanplaatsen.’ De gedachte was: deze man (vrouwen waren in die tijd nog geen chauffeur) valt, al rijdend, samen met zijn Loket.

 

Een loket is een plek waar je een simpele transactie kan verrichten, en waar je ook niet geacht wordt meer te doen dan dat. De toegang tot het christendom, zoals ik me die in vervlogen jaren voorstelde, wás zo simpel. Het zondaarsgebed. De Vier Geestelijke Wetten. Het Leger des Heils had er zelfs een (zondaars)bank voor.

 

Nu zal ik niet beweren dat die bank failliet is, en dat de Vier Geestelijke Wetten bij het grof vuil moeten. Maar wél dat wij in een heel andere wereld leven – een wereld van netwerken, waarin mensen en relaties van hoge waarde worden geacht, en het onderschrijven van een abstracte propositie (bijvoorbeeld: ‘Jezus is voor je zonden gestorven, punt, uit’) niet meer voldoet. De hele wereld is in de afgelopen tientallen jaren snel veranderd.

Vroeger ging een katholieke of gereformeerde of hervormde christelijke partij naar het loket van een of meer doelorganisaties die bij dezelfde zuil behoorden. Even schakelen, en je wist wat je aan elkaar had. Het subsidiariteitsbeginsel voor de rooms-katholieken en de soevereiniteit in eigen kring voor de gereformeerden was voldoende om ieder zijn plek te wijzen. Loketje open, en door de muur heen kwam de transactie tot stand.

De kerk vond per definitie haar plaats in de eigen christelijke zuil. De omroepen idem. En om maar bij m’n eigen vak te blijven: de uitgevers werkten met een aantal clubs van eigen signatuur. Een heel landschap van loketten. Waar kun je Inlichtingen verkrijgen? Ga maar naar het loket Inlichtingen, dan lichten ze je daar wel in.

 

Dit transmissiemodel werkt niet meer, zoals  dr. Jan Van der Stoep betoogt (Radix 36/2): de buitenwacht weet precies waar intern de verschillen en spanningen zitten. Het muurtje dat scheiding maakte tussen de beambte áchter het loket en de opdringende menigte vóór het loket, is weg. Je hebt met mensen te maken. Gordon trekt op met Gert van der Vijver, Liselotte gaat buurten bij Christa, die óók niet achter het muurtje-met-loketje blijft om kaartjes voor het christendom te verkopen.

 

Nog even naar Bethlehem, want daar ligt in deze koude week onze warme belangstelling. In de kerststukjes en musicals wordt de herbergier consequent voorgesteld als een lokettist: nee meneer Jozef, nee mevrouw Maria, we zitten vol, sorry. Maar de echte ontmoeting vindt plaats waar God in al zijn kwetsbaarheid deze wereld binnentreedt, als kleine Baby. God met ons, Immanuel.

december 15, 2010

Geen Jezus zonder kerk, geen kerk zonder Christus

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 9:03 am

Kun je Jezus ‘hebben’ zonder kerk? Nee. Maar kun je een kerk hebben zonder Christus? Kom nou!

Leonard Sweet en Frank Viola hebben THE JESUS MANIFESTO gepubliceerd, waarvan de vertaling binnenkort in Nederland zal uitkomen. Zij haken aan bij het bekende syndroom dat wij ADHD noemen, maar dat in Amerika meestal ADD wordt genoemd, Attention Deficit Disorder – en hun stelling is dat de kerk lijdt aan een ‘Jesus Deficit Disorder’. Het is hoog tijd voor een manifest voor Jezus; laten we elkaar oproepen onze aandacht en toewijding weer onverdeeld op Hem te richten, zeggen Sweet & Viola. Op de Nationale Synode heeft ds. Teun van der Leer daarvoor ook een vurig pleidooi gehouden.

Maar alsjeblieft geen Jezus die ook los verkrijgbaar is! Er is (misschien wel sinds de Verlichting, als Charles Taylor gelijk heeft) een overdosis aan individualisme in het christendom meegekomen. De vraag is urgent: hoe moet de relatie zijn tussen de kerk en Christus, Christus en de kerk – en vandaar weer naar de wereld? Want het christendom kan niet een persoonlijk onderonsje zijn tussen Jezus en onze ziel, terwijl we elkaar en de rest van de wereld laten stikken. Geen Jezus zonder kerk, als privé en particulier geloofsleven zonder anderen. Maar ook geen kerk zonder Christus. Een beeeld: Christus en zijn Lichaam, de Gemeente. De Kerk, de belichaming van Christus

Het lijkt me dat tijdens het Derde Lausanne Congres voor Wereldevangelisatie in Kaapstad terecht de keuze is gevallen op basisbijbelstudies vanuit de zes hoofdstukken van de Efezebrief. Iedere ochtend was de vaste discipline, alvorens wij ons gingen bezig houden met allerlei belangrijke thema’s, ons eerst in kleine groepjes van vijf of zes mensen bijeen te zetten, met dit Bijbelboek voor ons, in gebed, Schriftstudie en aanbidding.

 

De Brief aan de Efeziërs is misschien wel het hoogtepunt van de geschriften van de apostel Paulus. Wij zien daar hoe we in Christus tot in de hoogste hemelen verheven zijn, maar óók hoe we als gewone mensen in de blubber van deze aarde staan. Wij zien het opheffen van de grootste religieuze scheiding die er bestond (tussen Israel en de gojim) maar ook de introductie van de mooiste eenheid, de Gemeente, het lichaam van Christus. Wij zien hoe wijzélf worden opgebouwd en deelnemen aan het groeiproces van de Gemeente, maar ook dat Gods plan door de gemeente uitgaat naar de hele wereld. We worden geconfronteerd met de uitdagingen om samen als Nieuwe Mens in een zondige wereld te leven, heel concreet in onze geloofsgemeenschap, leefgemeenschap (huwelijk en gezin) en werkgemeenschap. En tenslotte leren wij hoe er echte vrede is, maar wel temidden van een heftige kosmische oorlog.

En in deze Brief staat Jezus centraal. Maar niet een Jezus die jou en mij ‘alleen maar’ redt van de hel en in de hemel brengt. De waarheid is in Jezus (4:20). Hij is het ‘prototype’ van de Nieuwe Mens. Zijn lichamelijke aanwezigheid op aarde openbaarde een totaal nieuw, ongekend leven. Maar nu komt het kernpunt van Paulus’ onderwijs: jullie (zegt Paulus) hebben Christus leren kennen (4:20)! ‘Hem die het hoofd [van het Lichaam] is, Christus – en vanuit het hoofd ontleent het Lichaam van Christus, dit ongelofelijke nieuwe fenomeen, alle leven en activiteit.

Wij zijn de belichaming van de opgestane Heer. Zelf is Hij nu in heerlijkheid in de hemel, maar als Hoofd stort Hij voortdurend zijn leven uit in ons, ‘alle heiligen’ (3:18). Is Christus niet meer lichamelijk op aarde? Kijk, Hij is er wél! Hij wordt zichtbaar en tastbaar, krijgt handen en voeten in ons. Temidden van een zondige en duistere en vuile wereld raakt Christus de aarde, lichamelijk, in ons.

Ons probleem was dat wij de prachtige hemel van God niet konden bereiken; nu hebben wij door één Geest de toegang tot de Vader (2:18). Gods ‘probleem’ was dat Hij deze verrotte mensenwereld niet kon bereiken; nu heeft Hij dat gedaan door Jezus, en als vervolg daarop door ons als Lichaam van Christus.

‘De Christus’ (Gr. ho Christos) is Christus mét zijn lichaam, Hoofd en leden.  De Gemeente staat in Christus hoog boven de machten van het kwaad (1:21), maar Christus staat ook in de gemeente midden van de verschrikkingen van de zonde, in de ellende van deze wereld. Wij, de kerk, zijn collectief de manifestatie van God Zelf (5:1vv.). Het kan niet anders, of dit betekent oorlog, waar Gods nieuwe schepping staat tegenover de machten achter de oude schepping (6:10vv.).

Geen Jezus zonder kerk – dat is niet de Christus, onze Heer. Geen kerk zonder Christus – dat is een inhoudsloze en krachteloze kerk, waarin niet de verbinding wordt gelegd tussen God en de wereld.

 

december 7, 2010

Afrika, Azië, enzovoorts: vlak achter de muur

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 9:38 am

Eén van de schokkende dingen waarmee ik zes weken geleden in Kaapstad werd geconfronteerd, was de zogenaamde Slave Lodge. Het gebouw ligt tussen het zogenaamde kasteel van Van Riebeeck en de Compagnie’s Tuin, en is gewoon één van de vele toeristische attracties, waar toeristen in ontspannen kledij naar binnen wandelen. Er staat een kerk naast, waarover straks meer. Ik ging er met een vriend heen, in één van de weinige vrije uren die ons gegund werden tijdens het Derde Lausanne Congres voor Wereldevangelisatie.

Het gebouw heeft voor allerlei doeleinden gedient, onder andere als zetel van het hoogste rechtscollege van de Kaap. Maar het was oorspronkelijk gebouwd als ‘lodge’ voor de slaven die daar vanuit allerlei landen werden verhandeld. Je moet je bij ‘lodge’ niet een logement voorstellen, maar een soort opslagplaats. De slaven werden letterlijk naar binnen geladen vanuit de boten waarmee ze gekomen waren, om daar te blijven liggen; tot ze weer op transport gesteld werden, kregen ze net zoveel te eten dat ze juist niet dood moesten gaan. Er ging ook wel eens wat mis, en nu kom ik op het schokkende document dat in één van de vitrines werd tentoongesteld, een lijstje opgesteld in zeventiende- of achttiende eeuwse Nederlandse bewoordingen: NEGENTIEN DOODE NEGERS. Bij aankomst in Kaapstad werden, om geen rotte appels in de mand te krijgen, de nog levende slaven van de ‘doode negers’ gescheiden. Het kon er nog nét af dat ze er een lijstje van namen bij voegden, en daarna werden de slaven zonder veel ceremonie begraven.

De aangevoerde slaven die de reis hadden overleefd, werden schouder aan schouder in de bedompte en kleine ruimte van de Slave Lodge gegooid – dat is vermoedelijk het goede woord. Zoals gezegd, was er (en is er nog steeds) vlak naast het gebouw een gereformeerde Kerk, waar op zondag diensten werden gehouden. Als in de aangrenzende ruimten het gekerm van de slaven te hard opklonk, wist de organist dat hij wat harder moest spelen, en dat de gemeente wat krachtiger moest zingen, om niet met het burengerucht geconfronteerd te hoeven worden…

We gingen huiverend de deur van de Slave Lodge uit, en koud was het niet. O ja, dat had ik nog niet verteld: mijn vriend kwam uit Suriname, en zijn verre voor-overgrootvader was één van de overlevenden van de massa’s uit Afrika die in de slavenhandel van vroeger eeuwen getransporteerd was.

Mark Laberton zegt, in zijn boek The Dangerous Act of Loving Your Neighbour hoe Jezus naar de mensen keek: Jesus didn’t see a sick woman, he saw a daughter of God. He didn’t see an outcast from society, he saw a child of Israel. He didn’t see a sinner, he saw a person in the image of the Creator. Jezus zag niet een neger, maar een mens. Jezus hoorde niet een slaaf kermen, maar een kostbare persoon. En nooit zong Hij een toontje of wat luider, om ze maar niet te hoeven horen.

Terug in de drukte kwam de oorverdovende stilte van dat ene document op me af. Mark Laberton vraagt zich af hoe het komt dat wij in het Westen de andere helft van de wereld niet horen of zien – of althans: vaak niet. Hij geeft zelf antwoord op die vraag: dat komt doordat we met de rug tegen de dunne muur zitten die ons van hen scheidt.

De Slave Lodge is een soort parabel over ons, niet alleen maar een verhaal over onze verre Hollandse voorouders die daar hun VOC-slavenhandel bedreven, en over wie wij gemakkelijk ons hoofd kunnen schudden. Ons land is vol van migranten, en dat zijn lang niet allemaal moslims – en al waren ze dat: so what! Mensen in Gods beeld gemaakt, gereisd, gevlucht, bedreigd vaak; mensen uit China, Ghana, Iran, Nepal, Soedan, Oezbekistan, Marokko, Myanmar, en weet ik waarvandaan allemaal. (Velen van hen zijn christenen, en nog maar kort geleden hebben we een boek gepubliceerd waarin een aantal van hun voorgangers aan het woord komen, GRENSGANGERS – zie http://www.medema.nl) Wij weten maar weinig van hen, omdat we vaak met de rug naar hen toe zitten, met een veilig muurtje ertussen in. Ze zijn er intussen wél, dicht bij ons. De wereld is klein, en ziet er steeds bedreigender  uit. Wij kunnen nooit meer zeggen dat Afrika en Azië en al die andere delen van de wereld ver bij ons vandaag liggen. Misschien zou het goed zijn als we een toontje lager zingen, en met de ogen van Jezus naar hen kijken.

 

PS: Kijk nog eens naar http://www.connectingchurches.nl

december 1, 2010

HIV & HSV

Filed under: Uncategorized — henkmedema @ 8:32 am

Vandaag is Wereld Aids Dag. Een pandemie met zo’n 33 miljoen patiënten wereldwijd. Er zijn ongeveer tien miljoen aids-wezen, waarvan het overgrote deel in de zuidelijke helft van Afrika. De sociale structuur heeft er zwaar onder te lijden. Het persoonlijke leed van individuele mensen, vooral kinderen, is onmetelijk.

Op zo’n dag mag je eigenlijk alleen maar verbijsterd staan, en je vol mededogen uitstrekken naar de getroffenen. Bidden. Geven. Misschien, als je kunt, ernaar toe gaan.

De ethische discussie hoort op deze plek niet thuis. Als je een man of een vrouw of een kind aan de kant van de weg ziet liggen, met bloedende wonden, ga je toch ook niet eerst vragen: ben je een moslim? Of een christen? Ben je asielzoeker? Heb je je inburgering wel netjes gedaan? Je gaat naar zo iemand toe, gewoon om te helpen, met de liefde van God.

Wij hebben in de afgelopen jaren een paar boeken over dit onderwerp gepubliceerd: van Kay Warren,  IK GEEF ME OVER, GOD! – aan Jezus’ liefde voor mensen met HIV/aids; en Tom Davis, RODE LETTERS, ZILTE TRANEN – hoe je hart je boodschap kleurt. Je hoort me nu niet klagen over de omzet (hoewel: als je héél goed luistert, kun je het wel zachtjes horen…), maar het heeft me dikwijls een beetje wanhopig gemaakt dat christenen zo weinig uit hun luie stoel te branden zijn voor deze nood. Ik ben er geweest, in Afrika, ik heb er iets van gezien. Vanaf dat moment ben je niet meer dezelfde.

 

De wereldwijde kerk heeft HIV/Aids, heeft men wel gezegd. Zoals het inwendige auto-immuunsysteem door het hiv-virus kapot wordt gemaakt, zo is er binnen in de kerk iets mis. Wat dan? Heel veel, maar het inwendige probleem is vooral dat we zo inwendig zijn.

 

Over een paar dagen wordt de Herziene Statenvertaling gepresenteerd, in de Grote Kerk in Dordrecht. Het zal daar, volgens de weersvoorspelling, bar koud zijn, maar de 1200 mensen die erin passen zullen ook inderdaad de banken in schuiven.

Dit is niet de plek om reclame te maken voor de HSV (hoewel: als je heel goed luistert…), en ook niet voor beschouwingen over de keuze voor welke bijbelvertaling dan ook – gewoon omdat ik daarvoor veel meer ruimte nodig heb dan zo’n blogje. Het is, vind ik, wél het moment om het verdriet te uiten over de interne discussie die zelfs bij deze bijbelvertaling is losgebarsten.

Wat lijkt de HIV-aandoening toch vreselijk op de HSV-bedoening in de kerk! Je mag over deze vertaling discussiëren wat je wilt, heel graag en heel veel zelfs, en dat gebeurt ook. Maar laten we toch alsjeblieft dankbaar zijn dat het Woord van God weer een stapje dichterbij de mensen is gebracht, al is het dan beperkt tot een bepaald ‘soort mensen’. Het Woord moet naar buiten, vanuit de kerk naar de mensen toe, en mag niet een thema zijn waarover we inwendig herrie maken. We hopen en bidden voor een warme bijeenkomst, zaterdag in Dordrecht, met een uitstraling die vér buiten de muren van de Grote Kerk komt.

 

Blog op WordPress.com.